Aandelen in startups en scale-ups in Box 3De definitie van een startup en scale-up
Volgens het Wetsvoorstel is sprake van een startup of scale-up indien een onderneming:
- Een schaalbaar en herhaalbaar verdienmodel gericht op snelle groei heeft, waarvan het zijn oorsprong vindt in innovatie;
- Niet beursgenoteerd is; en
- Niet meer dan 25% (direct of indirect) in handen van een beursgenoteerde entiteit is.
Onder schaalbaar en herhaalbaar verdienmodel wordt verstaan het vermogen van een onderneming om de omzet snel te laten groeien zonder lineaire inzet van mensen, meer middelen of hogere kosten, door gebruik te maken van technologie die lagere marginale kosten met zich brengt en schaalvoordelen biedt.
De kwalificatie wordt getoetst door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), die hiervoor beschikkingen afgeeft. De beschikking geldt voor acht jaar.
Wijzigingen belastingheffing
Box 3
Zoals in onze eerdere update is aangegeven vindt vanaf 2028 belastingheffing in box 3 plaatsvindt op grond van een vermogensaanwasbelasting. Een uitzondering geldt onder meer voor aandelen in startups en scale-ups, waarvoor een vermogenswinstbelasting van toepassing gaat zijn. Hierdoor zal dus pas belasting worden geheven zodra de desbetreffende aandelen daadwerkelijk verkocht zijn.
Inkomstenbelasting
Een andere belangrijke fiscale maatregel voor startups en scale-ups in het Wetsvoorstel is de belastingheffing van optieregelingen. Aandelenoptierechten in ondernemingen geven werknemers het recht geeft om na verloop van tijd tegen een vooraf vastgestelde prijs aandelen te kopen in de onderneming van de werkgever. Er kan echter een verschil bestaan tussen de vooraf vastgestelde prijs en de daadwerkelijke waarde van de aandelen op een zeker moment. Dit verschil wordt belast als loon.
Op dit moment kent de wet al een ‘reguliere’ regeling om aandelenoptieregelingen van werknemers te belasten, namelijk op het moment dat de aandelen verkocht kunnen worden (werknemers kunnen beperkt worden in hun mogelijkheden om de aandelen te verkopen), of, indien daarvoor is gekozen, het moment van omzetten van de optie in aandelen (uitoefening van de opties). De nieuwe maatregel wijkt hier op twee punten van af:
- De belastingheffing vindt plaats op het moment waarop de aandelen daadwerkelijk worden verkocht; en
- Het voordeel bij verkoop (het verschil tussen de marktwaarde van de aandelen bij verkoop minus de prijs betaald voor de aandelen(uitoefenprijs)) telt slechts mee voor 65% als belastbaar loon. Hierdoor ontstaat effectief een tarief van ongeveer 32% dat lager ligt dan de heffing onder box 1 met een tarief oplopend tot 49,5%.
Om gebruik te maken van deze regeling, dient de aandelenoptieregeling aan twee voorwaarden te voldoen:
- De aandelenopties kunnen de eerste twee jaar na toekenning niet worden uitgeoefend.
- De uitoefenprijs voor de optie is ten minste gelijk aan de marktwaarde van de onderliggende aandelen.
De combinatie van deze voorwaarden kan ertoe leiden dat een goed bedoelde aandelenoptieregeling een zware financiële last voor een werknemer met zich meebrengt. Het is daarom raadzaam om met een adviseur te bespreken of een aandelenoptieregeling passend is, of dat een andere regeling mogelijk beter is.We houden de omvang van deze update bewust beperkt.
Wellicht zijn er bij het lezen vragen opgekomen zoals “wat gebeurt er als de onderneming de startup of scale-up status verliest?” of “wat gebeurt er met reeds bestaande optieregelingen?”.Voor deze, of andere vragen, neem dan contact op met:Koen Neutgens (kneutgens@deloitte.nl / +31 (6) 15 09 47 44) of Isa Pannekeet (ispannekeet@deloitte.nl / +31 (6) 50 39 19 74) van Deloitte Amsterdam.